Position paper borging rechtspositie kinderen om gehoord te worden

Oproep aan VWS, VNG en LNVT:

De rechtspositie van kinderen om gehoord te worden bij Veilig Thuis

Een structurele lacune in het huidige wettelijke kader

1. Inleiding en aanleiding

Veilig Thuis vervult in Nederland een cruciale rol bij signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling. Het fungeert als advies- en meldpunt, voert veiligheidsinschattingen uit en speelt een centrale rol in de toeleiding naar jeugdhulp, jeugdbescherming of strafrechtelijke interventies.

Tegelijkertijd is Veilig Thuis wettelijk gepositioneerd als een gemeentelijke voorziening onder de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Deze positionering heeft belangrijke consequenties voor de rechtspositie van kinderen, in het bijzonder voor hun recht om gehoord te worden.

Deze position paper analyseert deze consequenties en laat zien dat sprake is van een structurele lacune in rechtsbescherming.

2. Juridisch kader

Veilig Thuis opereert binnen het kader van de Wmo 2015 als een niet-besluitvormende voorziening. Er worden geen besluiten genomen in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en er worden geen beschikkingen afgegeven.

Het klassieke hoorrecht is in het Nederlandse recht gekoppeld aan formele besluitvorming en procedures met rechtsgevolgen, onder meer binnen de Jeugdwet, het civiele jeugdrecht en de bestuursrechtelijke besluitvorming

Daarnaast bepaalt artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind dat kinderen het recht hebben hun mening te uiten in alle aangelegenheden die hen betreffen, en dat aan die mening passend gewicht moet worden toegekend.

Binnen het Wmo-kader van Veilig Thuis ontbreekt echter een procedurele verankering van dit recht.

2a. Aansluiting bij bestaand VWS-beleid

De in deze position paper gesignaleerde lacune staat niet op zichzelf, maar raakt direct aan actuele beleidsontwikkelingen binnen het domein van jeugd en veiligheid. In het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming wordt nadrukkelijk ingezet op het versterken van de positie van kinderen en gezinnen, het verbeteren van vroegtijdige signalering en het voorkomen van escalatie door tijdige en passende ondersteuning. Deze beleidslijn veronderstelt dat kinderen niet alleen object van bescherming zijn, maar ook subject van participatie. Tegelijkertijd laat de praktijk van Veilig Thuis zien dat in de huidige Wmo-positionering juist in de vroegste fase van signalering en duiding geen formele participatierechten voor kinderen bestaan. Hierdoor ontstaat een spanning tussen beleidsambitie en juridische realiteit. Ook binnen het actieprogramma “Geweld hoort nergens thuis” werd het belang van een integrale en zorgvuldige aanpak benadrukt. Deze zorgvuldigheid omvat niet alleen veiligheid en snelheid, maar ook procedurele rechtvaardigheid en hoor en wederhoor, in het bijzonder waar het kinderen betreft.

Deze position paper moet dan ook worden gelezen als een juridische verdieping en concretisering van reeds ingezette beleidsdoelstellingen, met als doel de uitvoeringspraktijk van Veilig Thuis beter te laten aansluiten bij de rechtsstatelijke en kinderrechtelijke uitgangspunten die VWS onderschrijft.

3. De praktijk bij Veilig Thuis

In de praktijk voert Veilig Thuis taken uit die grote invloed hebben op het verdere verloop van een zaak:

1. Het verzamelen en duiden van informatie
2. Het uitvoeren van veiligheidsinschattingen
3. Het formuleren van adviezen
4. Het voorbereiden en sturen van opschaling

Hoewel deze handelingen geen formele besluiten zijn, hebben zij wel degelijk inhoudelijke gevolgen voor kinderen en gezinnen. Voor kinderen bestaat in deze fase:
– Geen afdwingbaar recht om gehoord te worden
– Geen recht op vastlegging van hun perspectief
– Geen recht op inzage of correctie
– Geen mogelijkheid tot bezwaar of toetsing

4. Casuïstiek (geanonimiseerd)

·       Casus A

Een melding leidt tot een veiligheidsinschatting en advies tot opschaling richting jeugdbescherming, zonder dat het kind is gesproken. Het latere besluitvormende traject baseert zich mede op deze vroege duiding.

·       Casus B

Een kind wordt wel gesproken, maar het gesprek wordt samengevat in volwassen interpretaties. Het letterlijke perspectief van het kind is niet herkenbaar terug te vinden in de overdracht.

·       Casus C

Het kind perspectief wordt pas gehoord in een latere gerechtelijke fase, wanneer de eerdere beeldvorming al richtinggevend is geworden.

Deze casussen illustreren dat het hoorrecht formeel wel bestaat, maar feitelijk te laat komt om nog effectief te zijn.

5. Analyse

De kern van het probleem is structureel van aard:

1. Veilig Thuis heeft materiële invloed zonder formele bevoegdheid
2. Het Wmo-kader kent geen procedurele kinderrechten
3. Artikel 12 IVRK wordt moreel erkend, maar juridisch niet geborgd
4. De eerste en vaak bepalende beeldvorming vindt plaats zonder formele participatie van het kind

6. Conclusie

Juist in de fase waarin feiten worden gevormd en risico’s worden ingeschat, ontbreekt voor kinderen een afdwingbaar recht om gehoord te worden. Dit ondermijnt de rechtspositie van kinderen en staat op gespannen voet met fundamentele beginselen van zorgvuldigheid en kinderrechten.

7. Aanbevelingen

Binnen het huidige kader:

– Verplichte betrokkenheid van het kind bij substantiële signalen
– Expliciete vastlegging van het kind perspectief
– Recht op inzage en correctie
– Transparante overdracht naar besluitvormende instanties

Met beleidswijziging of wetswijziging:

– Expliciete participatierechten voor kinderen binnen de Wmo
– Procedurele waarborgen bij Veilig Thuis
– Versterking van rechtsbescherming in de pre-besluitvormende fase

8. Slot

Het versterken van de rechtspositie van kinderen bij Veilig Thuis vraagt niet om het loslaten van laagdrempeligheid, maar om het toevoegen van rechtsstatelijke waarborgen op het juiste moment. Verdere juridische borging is daarom geen verzwaring, maar een noodzakelijke beschermingslaag voor kinderen, ouders én professionals.

Gespreksprotocol VT praten met kinderen is niet voldoende:

Het gespreksprotocol Praten met kinderen van Veilig Thuis is niet toereikend als antwoord op de geconstateerde tekortkomingen in de rechtsbescherming van kinderen, om de volgende samenhangende redenen:

1.     Het protocol erkent de juridische doorwerking van gesprekken niet expliciet.

2.     Gesprekken met kinderen hebben in de praktijk invloed op besluiten met rechtsgevolgen, maar het protocol positioneert deze gesprekken uitsluitend als hulpverlenend. Hierdoor ontbreken de bijbehorende rechtsstatelijke waarborgen.

3.     Vrijwilligheid is procedureel verondersteld, niet juridisch geborgd.

4.     Het recht van het kind om te zwijgen of een gesprek te beëindigen is niet expliciet genormeerd en niet toetsbaar vastgelegd, terwijl weigering feitelijk gevolgen kan hebben voor risicotaxatie.

5.     Rol- en doelafbakening ontbreekt. Het protocol scheidt onvoldoende tussen luisteren, beoordelen en waarheidsvinding, waardoor het kind het risico loopt instrumenteel te worden ingezet in een bestuursrechtelijke keten zonder wettelijke grondslag.

6.     Verslaglegging is onvoldoende begrensd. Kinderuitspraken, interpretaties en conclusies worden niet juridisch verplicht gescheiden, terwijl verslaglegging de facto juridische betekenis krijgt in vervolgprocedures.

7.     Rechtsbescherming is niet structureel ingebouwd. Het protocol bevat geen afdwingbare rechten op inzage, correctie of effectieve toetsing voor het kind, waardoor bescherming afhankelijk blijft van professionele zorgvuldigheid in plaats van rechtszekerheid.

Daarmee fungeert het gespreksprotocol als een pedagogisch instrument binnen een juridisch vacuüm: het adresseert communicatieve zorgvuldigheid, maar biedt geen afdoende antwoord op de fundamentele rechtsbeschermingsvraagstukken die eerder zijn geanalyseerd.

NB
Stichting Voorkoming Kindermishandeling (VKM) kent een lange geschiedenis welke 55 jaar geleden startte als grondlegger van de Bureaus Vertrouwensartsen welke opgingen in de Advies en Meldpunten Kindermishandeling en vervolgens Veilig Thuis. https://canonsociaalwerk.eu/nl_jz/detail/235.