Aandachtspunten hoorrecht kinderen


8 juni 2026
In januari vroeg VKM extra aandacht voor het recht van kinderen om gehoord te worden als er een vermoeden van kindermishandeling is. Daarin staat VKM niet alleen. Augeo Foundation, de kinderombudsman, het Kinderrechtencollectief, Defence for Children Nederland maar ook de Raad voor Strafrechttoepassing en jeugdbescherming hebben -ieder vanuit de eigen invalshoek- gepleit voor betere wet- en regelgeving.
Wij deden een oproep aan VWS, VNG en het Landelijk Netwerk Veilig Thuis om de rechtspositie van kinderen structureel te verbeteren en legden de huidige lacunes bloot.
Nu 2 kamerleden van D66 een wetsvoorstel gaan voorbereiden lichten wij toe wat de aandachtspunten t.a.v. het hoorrecht voor kinderen zijn:

1. Hoorrecht bestaat al, maar versnipperd

Het algemene uitgangspunt staat in artikel 12 van het VN-Kinderrechtenverdrag: kinderen hebben recht om hun mening te geven over zaken die hen aangaan, en die mening moet passend gewicht krijgen naar leeftijd en ontwikkeling. Het VN-Kinderrechtencomité waarschuwt daarbij tegen schijnparticipatie: horen is pas serieus als het kind informatie krijgt, veilig kan spreken en terugkoppeling krijgt over wat met zijn mening is gedaan.  

In het familierecht is het hoorrecht concreter geregeld. Artikel 809 Rv verplicht de rechter in beginsel kinderen vanaf 12 jaar gelegenheid te geven hun mening kenbaar te maken. Jongere kinderen kunnen ook worden gehoord, maar dat is minder hard geregeld en afhankelijker van de rechterlijke praktijk.  

In jeugdhulp en bij Veilig Thuis is het minder eenduidig. De meldcode schrijft voor dat professionals signalen in kaart brengen, overleggen, zo nodig Veilig Thuis raadplegen en in gesprek gaan met ouders en kind, maar dat is geen algemeen afdwingbaar individueel hoorrecht voor ieder kind dat zegt thuis niet veilig te zijn.  

2. Onderzoek laat zien: kinderen voelen zich niet vanzelf gehoord

De Kinderombudsman liet in 2025 zien dat kinderen die thuis ruzie en geweld meemaken vaak onvoldoende steun ervaren. In dat onderzoek gaf 8% van de kinderen aan thuis met ruzie en geweld te maken te hebben. De titel “Niemand hielp mij” zegt veel over het kernprobleem: signaleren en horen zijn niet hetzelfde als helpen.  

Ook eerder onderzoek van de Kinderombudsman wijst erop dat kinderen met problemen thuis behoefte hebben aan een integrale aanpak, waarin niet alleen naar het probleem wordt gekeken, maar naar het kind als geheel, de thuissituatie, school, netwerk en hulpverlening.  

Het NJi benadrukt dat jeugdparticipatie verder gaat dan “je mening mogen geven”: kinderen en jongeren moeten actief kunnen meepraten en meebeslissen over onderwerpen die hen raken.  

3. Het voorstel kan een lacune dichten

Volgens de berichtgeving wil D66 regelen dat kinderen die aangeven thuis niet veilig te zijn snel, deskundig, multidisciplinair en kindvriendelijk worden gehoord, ook zonder toestemming van ouders wanneer die toestemming het gesprek kan beïnvloeden. Defence for Children steunt die richting en noemt expliciet dat kinderen niet afhankelijk moeten zijn van afzonderlijke organisaties die eerst naar elkaar kijken. Dat is juridisch logisch: als ouders zelf onderdeel kunnen zijn van de onveiligheid, is ouderlijke toestemming als voorwaarde voor het horen van het kind kwetsbaar.

4. Maar onderzoek wijst ook op risico’s

Het grootste risico is dat “horen” een nieuwe procedure wordt zonder daadwerkelijke opvolging. De RSJ adviseerde in 2025 dat kindvriendelijke procedures niet alleen moeten gaan over het gesprek zelf, maar ook over terugkoppeling aan het kind, toegang tot bezwaar en rechtsmiddelen als het recht om gehoord te worden wordt geschonden.
Onderzoek naar feitenonderzoek in de jeugdbescherming laat zien dat cliënten zich geregeld onvoldoende gehoord en serieus genomen voelen, en dat kinderen onvoldoende worden betrokken. Dat wijst erop dat het probleem niet alleen juridisch is, maar ook professioneel en organisatorisch.

5. Aandachtspunten voor de nieuwe wet

De wet moet daarom niet alleen zeggen: “het kind wordt gehoord.” Zij moet ook regelen:

  1. Wie hoort het kind
    Een deskundige professional, getraind in kindgesprekken, trauma, loyaliteit, ontwikkelingsniveau en kindermishandeling.
  2. Binnen welke termijn
    Snel genoeg om signalen niet te laten verdwijnen, maar zorgvuldig genoeg om geen haastig schijngesprek te voeren.
  3. Zonder toestemming van ouders wanneer nodig
    Vooral wanneer ouders mogelijk onderdeel zijn van de onveiligheid.
  4. Geen herhaald en versnipperd horen
    Eén goed gesprek is beter dan vijf losse gesprekken door school, wijkteam, Veilig Thuis, politie en Raad.
  5. Terugkoppeling aan het kind
    Het kind moet weten wat met zijn verhaal gebeurt. Anders is het geen participatie, maar informatie ophalen.
  6. Aanspreekbare regie na het gesprek
    De kernvraag blijft: wie organiseert daarna veiligheid en passende hulp?

Conclusie

Onderzoek en kinderrechten ondersteunen het uitgangspunt van een sterker hoorrecht. Maar de les is ook helder: een kind horen is noodzakelijk, maar niet voldoende. De echte verbetering ontstaat pas als het hoorrecht wordt gekoppeld aan deskundige duiding, snelle veiligheidsanalyse, passende hulp en één aanspreekbare professional die verantwoordelijk is voor de opvolging.